Acties

FILM & TV

Statement Televisiedrama

Een toekomstvisie van het Netwerk Scenarioschrijvers

“More than movies, plays and even in some ways novels, television drama is making art out of real life” (Charles McGrath, New York Times)


Inleiding

Goed Nederlands televisiedrama is van grote maatschappelijke waarde omdat het voorziet in de eeuwenoude menselijke behoefte aan verhalen. Verhalen die amuseren, informeren en aan het denken zetten. Verhalen die een onverwachte kant van het menselijk bestaan onthullen, die een reflectie zijn op de huidige tijd en de Nederlandse samenleving, die het leven betekenis geven.

Toen het Netwerk Scenarioschrijvers in 2002 een onderzoek liet verrichten naar Nederlands televisiedrama bij de Publieke Omroep, werd gedurende een voortgaande discussie duidelijk dat zowel de omroepen, het Ministerie van OCW als televisiemakers het belang van zowel volume als kwaliteit van Nederlands drama allemaal onderschrijven. De komst van de nieuwe televisiezender Talpa heeft recentelijk opnieuw laten zien hoe belangrijk dramaseries zijn om een zender profiel en kijkers te geven. En ondanks de grote onrust die het rapport “Met Het Oog Op Morgen” van de staatssecretaris van OCW afgelopen jaar heeft veroorzaakt, staat ook hier het belang van Nederlands drama nergens ter discussie. Kortom, het belang van goed Nederlands drama wordt breed erkend.

Mede door de komst van Talpa is 2005 wat betreft volume van televisiedrama zeker geen slecht jaar geweest. Er zijn veel nieuwe series gemaakt, ook bij de publieke omroep, en een aantal daarvan zijn door de kijker goed gewaardeerd en/of bekeken. Dit alles neemt niet weg dat er nog veel te verbeteren valt. In dit stuk wil het Netwerk Scenarioschijvers in tien punten uiteen zetten wat de noodzakelijke voorwaarden zijn om tot een verdere ontwikkeling van het volume en de kwaliteit van Nederlands drama te komen in de toekomst. Het Netwerk wil met deze visie graag in gesprek treden met alle partijen die voor de verdere ontwikkeling van Nederlands drama van belang zijn.

1: Goed drama begint met een goed scenario
Het succes van televisiedrama hangt in de eerste plaats af van de kwaliteit van het scenario. Voor iedere vorm van drama ligt de kracht van de karakters en het verhaal immers besloten in het scenario als basis. Het Netwerk is er daarom van overtuigd dat de hele sector er baat bij heeft als de totstandkoming van goede scripts centraal wordt gesteld. Want om te komen tot kwalitatief hoogstaand drama zouden discussies niet moeten beginnen met omroeppolitiek, financieringsproblemen of zenderprofilering, maar met de vraag welke verhalen waarom en hoe verteld moeten worden.

2: Goede scenario’s ontstaan door breed te investeren in ideeën en talent
Een idee dat aanvankelijk zeer vruchtbaar lijkt zal lang niet altijd leiden tot een goed scenario. Om tot voldoende goede scenario’s te komen is het daarom noodzakelijk om breed te beginnen. Het zal de gemiddelde kwaliteit van de scenario’s aan het eind van het proces zeker ten goede komen.
Het Netwerk Scenarioschrijvers vindt het daarom van groot belang dat er breed geïnvesteerd wordt in ideeën en schrijftalent, bijvoorbeeld via de intendant. Investeren in scenario’s is relatief goedkoop en de grootste kwaliteitswinst valt in dit stadium te boeken. Bij de selectie waarom de ene schrijver wel subsidie krijgt en de andere niet, kunnen de CV van de schrijver en interesse van omroepen en/of producenten een rol spelen, maar uiteindelijk moet het vooral gaan om de intrinsieke kwaliteit van het idee, de synopsis, het treatment, of het scenario zelf. Hierbij kan het simpele selectiecriterium van Chris Albrecht, hoofd van de onafhankelijke zender HBO, die de hele wereld de afgelopen jaren verrast heeft met succesvolle kwaliteitsseries als Sex and the City, The Soprano’s en Six Feet Under als uitgangspunt dienen: “We vragen onszelf gewoon af: is het anders, onderscheidend, gaat het ergens over, en daarmee bedoel ik, is het iets dat van belang kan zijn op het menselijke vlak? Wat je je vervolgens afvraagt: is dit de beste uitvoering van het idee?”

Als er breed wordt geïnvesteerd in talent en ideeën, op basis van bovenstaande selectiecriteria, zal dit zowel de ervaren als beginnende scenaristen de mogelijkheid bieden zich verder te ontwikkelen. En wanneer hierdoor de gemiddelde kwaliteit van het scenario verbetert, zal de hele Nederlandse film- en televisieindustrie zich verder ontwikkelen en diens positie ten opzichte van het buitenland.

3: Quota voor Nederlands drama creëren duidelijkheid voor makers
Een belangrijk kritiekpunt dat het rapport “Met Het Oog Op Morgen” binnen de gehele sector heeft opgeroepen, is dat vooral culturele programma’s en daarmee ook Nederlands drama de dupe dreigen te worden van de verwachte terugloop in reclameopbrengsten bij de omroepen. Veel politici hebben weliswaar laten weten dat dit helemaal niet hun bedoeling is, maar echte toezeggingen zijn er niet gedaan. Het Netwerk Scenarioschrijvers pleit daarom voor duidelijke quota voor Nederlands drama en verstaat daaronder vaste bedragen die per net besteed moeten worden aan nieuw Nederlands drama. Herhalingen van oude series en/of aankoop van Belgische series dienen hier buiten te vallen.

4: Zenderprofilering is goed, maar moet geen dictaat worden
Het Netwerk Scenarioschrijvers erkent het belang van goede programmering, goede promotie en een duidelijke zenderprofilering. Maar het allerbelangrijkst is en blijft de specifieke kwaliteit van de verschillende programma’s. Goed Nederlands drama ontstaat wanneer getalenteerde makers de ruimte krijgen om hún specifieke en uitgesproken verhaal op hun manier te vertellen. De omroepen, netmanagers en/of Raad van Bestuur moeten natuurlijk de inschatting maken welke ideeën of verhalen deze uitgesproken kwaliteit bezitten en welke verhalen van belang zijn voor welke kijker en daarmee het meest geschikt voor welk tijdstip en welk net. Dit is echter iets heel anders dan dat van te voren van bovenaf bepaald wordt wat voor soort drama er gemaakt moet worden.
Het Netwerk Scenarioschrijvers pleit daarom voor een organisatiestructuur met veel ruimte voor initiatieven en ideeën van makers zelf. De uitzendschema’s zouden eerder een ideale programmering moeten zijn van het beste dat programmamakers te bieden hebben, dan dat programmamakers moeten maken wat in het uitzendschema past.

5: Vaste drama-slots op Nederland 1, 2 en 3 binden de kijker
Het Netwerk Scenarioschrijvers accepteert de nieuwe zenderindeling met net 1 als brede publiekszender, net 2 als verdiepende zender en net 3 als jong en innovatief. De plannen om daar ook vaste drama-slots aan te koppelen, met bijvoorbeeld Nederlandse comedy’s op de zaterdag- en zondagavond, drama op de maandagavond en een dagelijkse soap op werkdagen worden door het Netwerk toegejuicht, hoewel er wel voldoende ruimte moet blijven bestaan voor makers om deze timeslot op hun eigen, specifieke manier in te vullen. Dit neemt niet weg dat het Netwerk altijd voorstander is geweest van een duidelijke programmering en pleit voor nog meer vaste drama-slots, met name ook voor verdiepend drama op net 2 en voor jeugddrama op net 3. Hoewel er sprake is van vooruitgang wat betreft programmering bij de omroepen, worden nog steeds te veel series en telefilms te vaak uitgezonden op onregelmatige tijden, onregelmatige zenders en onregelmatige dagen. Ook door nog betere en bewustere promotie van Nederlands drama kan nog veel terrein gewonnen worden.

De beste garantie voor diversiteit van het drama-aanbod, is uiteindelijk diversiteit onder de drama-makers. Het Netwerk Scenarioschrijvers vindt het daarom van groot belang dat er bij de omroepen gewerkt wordt aan een klimaat waarin ervaren schrijvers gekoesterd worden en talentrijke schrijvers gestimuleerd. Naast de door het Netwerk zeer gewaardeerde Nederlandse telefilms pleiten we daarom voor een vast timeslot voor initiatieven van nieuwe makers, dat zoals 12 steden 13 ongelukken dat destijds deed, kan fungeren als een opleidingsplaats voor talentrijke schrijvers.

6: Er moet een inzichtelijke beslissingsstructuur komen met meerdere loketten
Het is op dit moment voor dramamakers vrij onduidelijk wie beslist wat er waarom en wanneer op welke zender op de televisie komt. Ligt de verantwoordelijkheid bij de netmanager, de omroep, bij de werkgroep drama, of bij de Raad van Bestuur? Wij horen via onze leden dat makers soms van vertegenwoordigers van de omroepen te horen krijgen dat zij wel geloof hebben in een idee maar moeten bezuinigen van de netmanager, terwijl de netmanager beweert dat er in principe evenveel geld beschikbaar is als vorig jaar. Het Netwerk Scenarioschrijvers pleit er daarom voor dat zo snel mogelijk duidelijk wordt wie waarvoor verantwoordelijk is.

Hierbij willen wij graag benadrukken dat een te veel aan schijven gemakkelijk kan leiden tot een te veel aan compromissen en daarmee vaak juist níet tot de beste beslissingen. We willen in dit verband graag opnieuw het hoofd van HBO citeren, wanneer hij zich afzet tegen de grote zenders: “Wat echt getalenteerde mensen doorgaans gemeen hebben is een specifiek en uitgesproken gezichtspunt. Met name de grote omroepen hebben de neiging die gezichtspunten glad te strijken.”

Het Netwerk ziet eenzelfde gevaar bij de omroepen en pleit hierom voor een duidelijk gezicht dat eindverantwoordelijk is voor de beslissing welke serie ontwikkeld en/of gemaakt kan worden, zoals dat bijvoorbeeld bij het filmfonds het geval is. Voor ieder net zou dit een ander persoon kunnen zijn en het is tevens nastrevenswaardig wanneer deze personen regelmatig vervangen worden. In ieder geval is het veel duidelijker als er meerdere loketten zijn met een per loket duidelijk onderscheiden gezicht met visie, dan wanneer een grote onduidelijke groep in zijn geheel verantwoordelijk is voor de programmering van alle zenders.

Het Netwerk Scenarioschrijvers vindt tenslotte dat makers moeten kunnen rekenen op professionele feedback op wat zij indienen, binnen een redelijke termijn, op basis van heldere criteria.

7: Initiatief, lef en kwaliteit moeten worden beloond, niet “nee”-zeggen
Drama is duur en het is een internationaal gegeven dat van de tien nieuwe televisieseries er hooguit drie echt succesvol zijn. Dit maakt de productie van drama zeer risicovol. Het grote gevaar is dat dit in een klein land als Nederland leidt tot een behoudend en risicomijdend beleid, terwijl voor succes en vernieuwing juist het tegenovergestelde nodig is. Via onze leden horen we te vaak dat bij de omroepen momenteel vooral veel angst en onzekerheid heerst. Om deze reden pleiten wij voor een cultuurverandering bij de omroepen en verzoeken we de Raad van Bestuur om te werken aan een personeelsbeleid, waarbij initiatieven met lef die leiden tot vernieuwing en succes worden beloond, ten gunste van risicomijdend gedrag en middelmatigheid.
Ook zij die komen met creatieve vormen van financiering, zoals coproducties met andere landen, vormen van sponsoring die niet strijdig zijn met de ziel van de serie en/of vormen van samenwerking met andere omroepen of subsidiekanalen, zouden extra moeten worden beloond.

8: De omroepen moeten de commerciëlen vooral níet imiteren
Bij al het Nederlands drama wat de omroepen laten ontwikkelen, produceren en/of uitzenden moet er een antwoord gegeven kunnen worden op de vraag wat dit toevoegt aan wat er reeds is. Juist nu het volume aan drama bij de commerciëlen toeneemt, is het van belang om aan te geven waarin het drama bij de publieken zich onderscheidt. Als wij via een lid horen dat deze van een vertegenwoordiger van een omroep te horen kreeg dat ze “op zich wel geïnteresseerd zijn in een jeugdserie, maar dat het vooral niet te zwaar moet zijn en niet over allochtonen moet gaan”, dan roept dit vragen op.

Het Netwerk Scenarioschrijvers pleit voor een Publieke Omroep die een eigen koers vaart en het waarborgen van diversiteit als een belangrijke taak ziet. Hiermee bedoelen we geenszins dat de omroepen zich moeten beperken tot elitaire experimenten, maar wel dat juist bij de omroepen gezocht moet worden naar nieuwe, zich onderscheidende verhalen die juist nu verteld moeten worden of hun tijd vooruit zijn. Wat drama hierbij typisch ‘Nederlands’ maakt, zou eveneens een belangrijk criterium kunnen zijn.

9: Jeugddrama verdient de komende jaren extra aandacht
Voor de commerciële zenders is jeugddrama alleen interessant als het heel goedkoop gemaakt kan worden (bijvoorbeeld ZOOP). Duurder jeugddrama is voor hen niet lucratief. Het Netwerk Scenarioschrijvers betreurt het dat de VPRO haar traditionele rol ten aanzien van jeugddrama niet langer vervult en ziet het zorgdragen voor een bloeiende cultuur rond jeugddrama bij uitstek als een publieke taak. Dit dient minimaal in te houden dat er ieder jaar één echte Nederlandse jeugdserie gemaakt wordt van een behoorlijke omvang en voor een realistisch budget.

10: Kwaliteit moet lonen
Als een schrijver erin slaagt een scenario te schrijven dat voldoet aan eerder genoemde kwaliteitseisen, dan dient daar een fatsoenlijke vergoeding tegenover te staan. Een goede collectieve overeenkomst zoals de Scenario-raamovereenkomst is noodzakelijk om de rechten van de schrijver goed te regelen. Het Netwerk vindt dat de omroepen erop toe moeten zien dat ook producenten zich aan deze regeling houden. Samen met de LIRA zet het Netwerk Scenarioschrijvers zich tevens in voor goede afspraken ten aanzien van digitaal hergebruik en herhaling van drama.

15/8/2006/NS


 

Nederlands televisiedrama

In de afgelopen jaren is het aantal uren Nederlands drama bij de publieke omroep sterk verminderd. Zeker in tijden van bezuinigen moeten we ons sterk maken voor het behoud van Nederlands drama.
Daarom heeft het Netwerk Scenarioschrijvers de Actie TV Drama opgezet.

De voortgang van dit soort activiteiten zal binnenkort op deze pagina te volgen zijn. Op dit moment kunt u wel al de samenvatting en het rapport (klik hier) "Nederlands televisiedrama bij de publieke omroep: een inventarisatie van besteding en beleid" via de site lezen.


 

Reactie op kabinetsvisie 18.7.2005

Op 18 juli 2005 heeft het Netwerk Scenarioschrijvers de staatssecretaris Medy van der Laan per brief laten weten dat men zich grote zorg maakt over de kabinetsvisie op de toekomst van de omroep. Verder heeft men de staatssecretaris verzocht om nadere gegevens op welke wijze volume, verscheidenheid en programmering van dramaproducties binnen het publieke bestel na 2008 gewaarborgd zullen zijn.


De volledige tekst luidt als volgt:

Geachte Mevrouw Van der Laan,

Het bestuur van het Netwerk Scenarioschrijvers heeft met bezorgdheid kennis genomen van de kabinetsvisie op de toekomst van de publieke omroep, zoals vervat in het rapport Met het Oog op morgen, de publieke omroep na 2008, omdat daarin aangekondigde besluiten naar onze mening een sterk nadelig effect zullen hebben op dramaproducties binnen het publieke bestel.

Zo zal met de voorgenomen opheffing van de NPS een omroep verdwijnen die van belang is voor de ontwikkeling van dramaproducties binnen het publieke bestel. Omdat de NPS nieuw talent een kans biedt zich te presenteren en ontwikkelen middels projecten als ONE NIGHT STAND en KORT!, vervult de NPS een belangrijke rol als kweekvijver voor scenarioschrijvers.
Hiermee voldoet de NPS aan één van de vier ‘maatschappelijke opdrachten’ zoals vermeld in het rapport Omzien naar de publieke omroep van de visitatiecommissie Rinnooy Kan: “De publieke omroep moet een drijvende kracht zijn in de vernieuwing van de media en een kweekvijver vormen voor nieuw talent”.
Vanwege de kwetsbaarheid en het risico van dergelijke producties, valt niet te verwachten dat een van de andere omroepen deze projecten - en daarmee de functie van kweekvijver voor nieuw talent - zal overnemen.

Met het centraal stellen van de onderlinge concurrentiepositie van de licentiehouders bij inschrijvingen voor culturele en educatieve projecten, verdwijnt de basis voor dramaseries zoals KEYSER & DE BOER, gezamenlijk geproduceerd door de KRO en NCRV. Deze samenwerking biedt de omroepen de mogelijkheid om ‘high end’ dramaseries te realiseren waarvoor wij geen vervangende voorwaarden kunnen vinden in de kabinetsvisie.

Voorts meldt het rapport dat bij tegenvallende ontwikkelingen rond reclame-inkomsten, de derving niet uit publieke middelen zal worden gecompenseerd. Omdat ingevolge de kabinetsvisie het budget voor de licentiehouders t.b.v. opinievorming en maatschappelijk debat wordt gegarandeerd, houdt dit naar onze mening in dat de Raad van Bestuur in voorkomend geval geen andere keuze zal hebben dan deze derving te compenseren met gelden die zijn bestemd voor culturele en educatieve producties.

In het algemeen maken wij onze grote zorg over het feit dat de kabinetsvisie nergens aangeeft op welke wijze volume, verscheidenheid en programmering van dramaproducties binnen het publieke bestel na 2008 gewaarborgd zullen zijn.

Wij verzoeken u vriendelijk ons hier nadere gegevens over te verschaffen.

Hoogachtend,

Namens het bestuur,

Paul Jan Nelissen (voorzitter)


 

Reactie Netwerk Scenarioschrijvers op Filmbrief mei 2006

De Filmbrief is door het Netwerk Scenarioschrijvers over het algemeen zeer positief ontvangen.
Filmbeleid wordt als cultuurbeleid erkend, met als gevolg dat:

1) Er meer ruimte komt voor inhoudelijke of artistieke innovatiedrang en voor talentvolle schrijvers en makers, waardoor de balans tussen artistieke- en publieksfilm wordt hersteld;

2) De overheid voor haarzelf een voorwaardenscheppende taak ziet weggelegd die mede inhoudt dat er “blijvend moet worden geïnvesteerd in talent van scenarioschrijvers en regisseurs”;

3) Beschikbare gelden niet meer onder het ministerie van Financiën maar onder dat van OCW ressorteren. Het Netwerk onderschrijft de inhoudelijke analyse die aan de Filmbrief ten grondslag ligt en sluit zich van harte aan bij de uitgangspunten voor het daarop gebaseerde en nog te baseren beleid:
- Kwaliteitsverbetering
- Meer differentiatie in ontwikkeling & realisering
- Flexibilisering van procedures en middelen
- Internationale aansluiting

Aandacht voor artistieke film
Het Netwerk juicht de steun en waardering voor de kleinere, ‘artistieke’ film toe, op zowel het gebied van ontwikkeling en realisering als distributie en aansluiting op de internationale markt van deze ‘commercieel kwetsbare’ producties. Van groot belang is ook dat dit niet ten koste gaat van steun voor de grotere (publieks)film: het Netwerk is van mening dat tussen de ‘artistieke-’ en de publieksfilm geen tweedeling of tegenstelling bestaat, maar dat ze elkaar juist aanvullen en nodig hebben, en zodoende een gezamenlijk belang delen: een zo gevarieerd mogelijk aanbod aan kwalitatief hoogstaande films. In die zin beschouwt het Netwerk deze Filmbrief als een correctie op filmbeleid in het verleden, en dus als een ‘inhaalslag’: voor een overheid die filmbeleid beschouwt voor wat het is (als cultuurbeleid), dient steun aan de artistieke film geen uitzondering maar regel te zijn en dient deze uit oogpunt van algemeen cultureel belang als vanzelfsprekend structureel gegeven te worden. Dit punt verdient nadruk omdat het Netwerk, ondanks de in de Filmbrief geformuleerde taak om als overheid blijvend in talent te investeren, het gevaar signaleert dat indien na de komende drie jaar de oogst aan artistieke films tegenvalt (de staatssecretaris sprak al over een ‘afrekening’) het beleid weer teruggedraaid zal worden.

We tekenen hier op voorhand bij aan dat:
- Gezien de gemiddelde productietijd drie jaar te kort is voor enige evaluatie;
- De ontplooiing van talent afhankelijk is van talloze andere factoren dan zichzelf, met name de uitvoer en werkzaamheid van de voorgenomen maatregelen;
- Talent zich niet laat dwingen, en zich in golfbewegingen aandient (een paar magere jaren kan door een serie vette jaren worden gevolgd).

Het Netwerk ondersteunt de instelling van een sectorinstituut. Een sectorinstituut zal als centrum voor activiteiten op het gebied van conservering en ontsluiting van de Nederlandse film en in het kielzog, de ontwikkeling van nieuwe media, het (culturele) belang van de Nederlandse film onderstrepen.
De invulling die de staatssecretaris voorstaat is overigens te beperkt van opzet om dit doel te kunnen bereiken. Het Netwerk pleit voor een meer grootse opzet en meent dat het Filmfonds wellicht juist wel deel moet uitmaken van het sectorinstituut.

Hieronder volgt een opsomming van onze belangrijkste opmerkingen op de filmbrief, maar dit is geen limitatieve opsomming.

Aandacht voor scenario
Het Netwerk is zeer verheugd dat de Filmbrief het grote belang van het scenario erkent (“zonder goed scenario geen goede film”) en dat, qua artistieke inbreng, gelijkschakelt met de regie. Eenzijdige aandacht voor hetzij script, hetzij regie, verhoogt de kwaliteit van de Nederlandse film onvoldoende; de kwalitatieve meerwaarde die te bereiken is, schuilt in de stimulering en bundeling van creatieve krachten op beide vakgebieden.

Het Netwerk onderschrijft ook volledig de stelling dat uiteindelijk kwaliteit telt, ‘ongeacht de film voor een groot of klein publiek gemaakt wordt’ en pleit ervoor bij de discussie over kwaliteitsverbetering naar alle scenario’s te kijken, zowel die van artistieke- als die van publieksfilms: over de gehele breedte is veel winst te behalen met het verhogen van de kwaliteit van producties. Kwaliteitsverbetering in deze zin is een eerste voorwaarde voor de gewenste internationale aansluiting.

Het Netwerk is ook voorstander van een strenger selectiebeleid op zowel project als op naam (trackrecord):
zonder continuïteit kan geen maker zich ontwikkelen;
zonder ruimte voor nieuw talent kan ‘de Nederlandse film’ zich niet ontwikkelen. Begeleiding van dat talent -nieuw en gevestigd- is daarbij van cruciaal belang. Het Netwerk constateert een grote lacune op dit gebied, maar stelt grote vraagtekens bij de veronderstelling dat een versterking van de rol van de producent (cultureel ondernemerschap) deze lacune automatisch zal opheffen. De deskundigheid van producenten ten aanzien van het scenario dient te worden bevorderd, en hun capaciteiten op dit gebied zullen zwaar moeten meewegen bij de bepaling van het ‘keurmerk van professionaliteit’. Voor de ontwikkeling en begeleiding van nieuw talent is meer nodig, zoals een kweekvijverfunctie van omroepen, maar wellicht ook van fondsen en andere instituten. Ook valt te denken aan een nieuwe, uitgebreide stipendiumregeling.

Wat de rol van de producent betreft tekent het Netwerk nog aan dat versterking van diens rol evenmin garantie biedt voor continuïteit voor makers. Producenten zijn niet te vergelijken met (literaire) uitgevers; vanwege de hoge kosten is het aantal films dat een producent kan realiseren per definitie zeer beperkt, zodat de belangen van makers en producenten vaker niet samenvallen dan wel.

Het Netwerk acht het intendantschap en de functie van artistiek adviseur van groot belang voor de begeleiding van scriptontwikkeling, met name als mogelijkheid voor makers om zelf (zonder producent) een idee in te dienen.

Het Netwerk is groot voorstander van ‘meer cinematografische en internationale' deskundigheid in adviescommissies’, en beschouwt ook dit beleidsvoornemen als correctie op een onbevredigende praktijk: een gebrek aan die deskundigheid is mede oorzaak van het in de Filmbrief geconstateerde ‘behoudende karakter’ van de Nederlandse film en de daaruit voortvloeiende internationale achterstand. Het Netwerk pleit daarom voor een sterke differentiatie van adviescommissies in aparte pools van adviseurs die op grond van hun deskundigheid ingezet worden voor verschillende soorten aanvragen (artistieke-, publieks-, maar bijvoorbeeld ook familie/kinderfilms).
Tegenover het toekennen van een deel van het realiseringsbudget aan intendant en artistiek adviseur staat het Netwerk niet afwijzend: zij zouden in voorkomende, incidentele gevallen op goed beargumenteerde gronden die vrijheid desgewenst moeten kunnen krijgen en nemen.
Wel vraagt het Netwerk zich af of een substantiële kwaliteitsverbetering van de adviescommissies niet hetzelfde of zelfs een groter effect sorteert.

Ook is het Netwerk voorstander van een korter traject van idee naar realisering, maar dit mag niet ten koste gaan van (de kwaliteit van en de beschikbare middelen voor) de ontwikkelingsfase.

Opmerkingen over financiering
Het Netwerk is ook voor de mogelijkheid om een film zonder omroepgeld te realiseren vanwege de huidige ‘monopoliepositie’ van de PO (zonder omroepgeld geen film). Het mag echter niet zo zijn dat de PO minder geld in speelfilms investeert of deze mogelijkheid dit als excuus gaat gebruiken om (nog) minder risico’s te nemen met name cinematografische films. Het Netwerk is van mening dat de PO ook op dat gebied een (culturele) taak te vervullen heeft.

Het Netwerk is in principe voor flexibilisering van de hoogte van subsidies, op voorwaarde dat het criterium daarvoor inderdaad is: kwaliteit gaat boven kwantiteit, maar tekent daarbij aan dat in dit model deskundigheid (van zowel begeleiding als beoordeling) nog zwaarder gaat wegen. Bovendien vragen we ons af of er, uit het oogpunt van behoud van volume en van diversiteit, niet toch een maximumbijdrage gehanteerd moet worden die gerelateerd is aan de thuismarkt. Wil de sector de (theoretische maar niet ondenkbare) mogelijkheid dat het hele jaarbudget van het Filmfonds aan één film wordt toegekend?

Het Netwerk zou tenslotte willen dat de Federatie Filmbelangen waarin zij is vertegenwoordigd betrokken zal worden bij het opstellen aan een nieuwe regeling die de cv-regeling zal gaan vervangen en mogelijke andere veranderingen met betrekking tot de invulling van de gelden bestemd voor de filmstimulering opdat het belang van makers zoals scenarioschrijvers en regisseurs wordt gewaarborgd.

Opmerkingen over rechtspositie van makers
Opvallend is dat ondanks de initiatieven van de overheid om de juridische positie van de auteur juridisch te verbeteren ten aanzien van de culturele exploitanten én de initiatieven van EZ op het gebied van het cultureel ondernemerschap (hetgeen niet alleen zoals in de filmbrief wordt gesuggereerd producenten betreft maar bijvoorbeeld ook scenaristen en regisseurs), er niets wordt gemeld over de wenselijkheid van een behoorlijk regeling van de rechten van makers. Behoorlijk cultureel ondernemen betekent ook je kapitaal (= makers) waarderen op zijn waarde: dat betekent voor scenaristen en regisseurs behalve een behoorlijke honorering ook in plaats van geen overdracht van alle mogelijke exploitatierechten, een (exclusieve) licentie van de voor de exploitatie voor de verfilming benodigde rechten rustend op het scenario.

De ontwikkeling van cultureel ondernemerschap moet zich niet beperken tot de producenten, maar geldt evenzeer voor scenarioschrijvers en regisseurs.
Idealiter vormen de scenarioschrijver, de regisseur en producent bij het maken van een film immers een team van gelijkwaardige partners dat elkaar onderling ondersteunt.

Daarom is het Netwerk Scenarioschrijvers een voorstander van het systeem dat scenarioschrijvers net als regisseurs (of acteurs) afhankelijk van het initiatief voor de film de auteursrechten verkrijgen en gehonoreerd worden. Hiermee wordt recht gedaan aan de creatieve inbreng (los van de financiële inbreng) namelijk aan degene (de auteur) die een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het idee, treatment en/of scenario. Bij het vormgeven van een dergelijk co-producerschap zal aansluiting moeten worden gezocht bij de Nederlandse wetgeving, in het bijzonder het auteursrecht.

Slotopmerking:
Ondanks alle waardering voor de Filmbrief is het belangrijkste punt van zorg voor het Netwerk de wijze(n) waarop en de middelen waarmee kwaliteitsverbetering van scenario’s en talentontwikkeling van makers kan worden vormgeven en gewaarborgd.

Als een van de organisaties die ‘makers’ vertegenwoordigt spreekt het Netwerk dan ook de wens, bereidheid en verwachting uit betrokken te worden bij de verdere uitwerking van dat beleid als geheel (en zo een bijdrage te leveren aan de concrete invullingen die voor de uitvoer en het welslagen daarvan noodzakelijk zijn), en in het bijzonder bij het door de staatssecretaris aangekondigde onderzoek (door o.a. de Raad voor Cultuur) naar 'hoe het filmscenario aan kwaliteit kan winnen en welke instellingen hierin van betekenis kunnen zijn.'

Netwerk Scenarioschrijvers mei 2006


 

Brief filmmakers aan minister Plasterk dd 21.5.2007

Ministerie van OCW
T.a.v. Dhr. R.H.A. Plasterk
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag

Betreft: actiebrief filmmakers
Datum: 21-5-2007

Publieke Omroep verontachtzaamt auteursrechten van filmmakers
Filmmakers willen zelfde positie als Marco Borsato

Geachte heer Plasterk,
Filmmakers hebben, net als andere kunstenaars, een onvervreemdbaar recht op hun product: het auteursrecht. Iedereen die een film of ander kunstwerk openbaar wil maken of vermenigvuldigen moet daarvoor toestemming hebben van de maker: de auteur. Voor kunstwerken die reproduceerbaar zijn, zoals een foto, een boek of een designer stoel, klinkt het logisch dat de maker een vergoeding krijgt als zijn werk opnieuw verkocht wordt. Een ander voorbeeld: dat Marco Borsato meer geld verdient als zijn CD een succes is, vindt iedereen vanzelfsprekend. Filmmakers hebben het echter minder goed voor elkaar. Alhoewel de Auteurswet in artikel 45d een billijke vergoeding voor scenarioschrijvers en regisseurs voorschrijft, blijkt daarmee in de praktijk nogal eens de hand te worden gelicht, ook bij de Publieke Omroep.
Men zou verwachten dat de Publieke Omroep, vanuit haar culturele taak en opdracht, een
voorbeeldfunctie vervult waar het gaat om het erkennen van de auteursrechtelijke aanspraken van filmmakers. De omroep wordt per slot van rekening met overheidsmiddelen gefinancierd en de overheid dient het juiste voorbeeld te geven. De afgelopen jaren heeft de Publieke Omroep echter,onder budgettaire druk, een aantal beleidsmatige keuzes gemaakt waardoor het goed opdrachtgeverschap onder druk is komen te staan. Niet alleen wat betreft auteursrechtelijke vergoedingen, maar ook in andere opdrachtsituaties. Reeds in 2004 heeft een groep camera- en geluidsmensen geprotesteerd tegen de afnemende vergoedingen voor hun diensten. Hun klachten vonden weerklank bij toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan, die daarop een onderzoek heeft laten uitvoeren. Hieruit bleek dat enkele omroepen soms op bruuske wijze handelden bij het inhuren van crewleden.
De laatste jaren hebben regisseurs en schrijvers eveneens problemen ondervonden. Vooral door de opkomst van nieuwe platforms als Uitzendinggemist en digitale themakanalen lijkt het besef dat voor auteursrechten betaald moet worden, te verdwijnen. Drie concrete, recente voorbeelden:
1) Een omroep zet een scenarioschrijver van een succesvolle televisieserie onder druk om met
een lagere herhalingsvergoeding akkoord te gaan dan in het contract is afgesproken.
2) Een regisseur krijgt van een omroep alleen een nieuw contract, als hij afziet van eerder
gemaakte afspraken met betrekking tot zijn auteursrechten van een ander programma.
3) Een netmanager dreigt een omroep, dat als deze bij de makers van een serie geen onbeperkte herhalingsrechten bedingt, hij de programma's voortaan wel in het buitenland bestelt.
Zelfstandige regisseurs en scenarioschrijvers zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de gezichtsbepalende programma's van de Publieke Omroep. Een gezonde, creatieve bedrijfstak is nodig om de omroepen te blijven voorzien van nieuwe, originele, actuele, persoonlijke en onderscheidende programma’s. Het meedelen in het succes van een programma door middel van herhalingsrechten of het meedelen in de opbrengsten uit DVD-verkoop, vormen de financiële basis van elk gezond creatief bedrijf. Makers kunnen op deze manier een oeuvre opbouwen en investeren in nieuwe ideeën. Annie M.G. Schmidt leefde nog lang en gelukkig van de opbrengsten van haar succesvolle boeken.
Het is voor een kleine, zelfstandige ondernemer heel moeilijk om zich in de onderhandelingen met de grote en machtige Publieke Omroep hard te maken voor een eerlijke auteursrechtenpositie. Er is geen sprake van wat economen een level playing field noemen: er is concentratie aan de vraagkant (omroep) en versnippering aan de aanbodszijde, waardoor er een onevenredige marktmacht aan de vraagkant ontstaat. Deze situatie is niet uniek voor de film- en televisiesector, maar uniek is wel dat de zwakkere partij (in dit geval de filmmaker) niet door wetgeving beschermd wordt. In andere situaties (werknemer/werkgever-relatie, huurder/verhuurder-relatie) is het de normaalste zaak van de wereld dat degene met een zwakkere positie beschermd wordt.
De laatste jaren buit de Publieke Omroep deze machtspositie meer en meer uit. Een
verantwoordelijkheidsgevoel voor een gezond werkklimaat voor zelfstandige makers lijkt niet langer leidraad van beleid. Naar onze mening heeft de Publieke Omroep een belangrijke taak én een voorbeeldfunctie waar het gaat om het beschermen van de auteursrechtenpositie van onafhankelijke makers. Als beroepsverenigingen van schrijvers en regisseurs stellen we daarom de volgende actiepunten voor:

- De Publieke Omroep moet met de makers in contact treden om tot billijke en rechtvaardige
afspraken te komen met betrekking tot de auteursrechtenpositie van schrijvers en regisseurs. De wil om nieuwe platforms te creëren mag niet leiden tot een verslechtering van de positie van onafhankelijke makers.
- Er moet een onafhankelijke commissie van toezicht komen, opdat de naleving van deze
afspraken gewaarborgd wordt. Het Commissariaat voor de Media zou hierin een rol kunnen
vervullen.

Wij willen u vragen om u met ons sterk te maken voor een verandering in het beleid van de
Publieke Omroep en onze actiepunten in uw overleg met de omroep te onderschrijven.

Met vriendelijke groet,
Dutch Directors Guild Netwerk Scenarioschrijvers
Ger Poppelaars (Voorzitter) Paul Jan Nelissen (Voorzitter)

CC: Minister van Justitie dhr. E.M.H. Hirsch Ballin

p/a Rokin 91 1012 KL Amsterdam – 020-6842807 – info@directorsguild.nl