‘De 36 dramatische situaties, receptenboek of inspiratiebron'
Verslag van een workshop
De Italiaan Gozzi stelde vast dat er slechts 36 dramatische situaties bestaan. Hoe kun je die als scenarist praktisch aanwenden? Op 29 april organiseerde het Netwerk Scenarioschrijvers samen met Scriptdesk het Mediafonds een workshop rond deze vraag. Een korte terugblik.
Zijn er echt maar 36 dramatische situaties? Het aantal is ooit vastgesteld door de Italiaan Gozzi in de achttiende eeuw.
De Fransman Politi schreef rond 1912 een boekje waarin hij de situaties verder invulde. Scenarist en toneelschrijver Jan Veldman trof het werkje ooit aan in de bibliotheek. Voorafgaande aan de workshop vertelde hij in een inleiding dat hij even dacht ‘de gouden sleutel' te hebben gevonden. Hij hoopte dat het boekje vol zou staan met succesformules. Dat viel tegen, maar de materie liet hem niet los. In 2007 schreef hij er zelf een boekje over: ‘De 36 dramatische situaties'. Daarin zette hij ze op een rij, aangevuld met voorbeelden. Ze zijn ook hier te vinden: http://scriptdesk.blogspot.com/p/de-36-dramatische-situaties.html. Tijdens zijn inleiding vroeg Veldman zich af wat een dramatische situaties precies is. Hij weet in ieder geval wel wat het niet is: ‘Geen Plot, geen premisse, geen motief, geen story engine, geen thema'. Veldman: ‘Het is dat deel van het verhaal dat je terug zou kunnen vinden in een krantenbericht. Neem Madam Bovary. Die roman kun je samenvatten als: een vrouw gaat vreemd en als dat uitkomt pleegt ze zelfmoord'.
Brainstorm
Tijdens de workshop dienden de 36 dramatische situaties als springplank voor nieuwe ver-halen. De groep van zo'n twintig deelnemers werd opgedeeld in kleine groepjes. In twee- of drietallen ontwikkelden ze een nieuw gegeven tot een pitch. Daarbij kregen ze nog een hulp-middel aangereikt: een hele lijst met ‘six word stories' Dit zijn zinnetjes van inderdaad slechts zes woorden die een heel verhaal suggereren (bijvoorbeeld: ‘Ze ontmoette hem op de brui-loft', ‘Eerst dood en nu dit weer', ‘‘Ren dan' grijnsde ze en herlaadde'). Iedere groep probeerde een aantal situaties uit en koppelde daar six word stories aan. Door deze combinaties kwam het brainstormproces op stoom en ontstonden er ideeën. Deze werden uitvoerig in de groepjes besproken. Zo af en toe was er ruggespraak met de begeleiders van de workshop, Maarten Almekinders en Robert Wolfe. In veel gevallen riep de methode niet meteen een verhaal op, maar wel een hoop bruikbare associaties. Daar werd verder mee ‘gejamd'. De dramatische situatie hielp daarna vaak weer bij het vinden van een structuur. Uiteindelijk kozen de groepjes voor één verhaal dat ze verder wilden uitwerken tot een synopsis. Een aantal groepen legde die ideeën plenair voor aan een aantal andere groepen. Er werd veel verbaal ‘gepingpongd'. Zo bedacht één groepje een verhaal over een man en een vrouw die elkaar ontmoeten in de gevangenis. Als de man vrij komt, pleegt hij een aantal misdaden om weer opgesloten te worden. De reacties waren enthousiast, maar er klonken wel op- en aanmerkingen. Sommige deelnemers vonden het onrealistisch dat terwijl het anderen juist aansprak dat de realiteit wordt losgelaten. Er werden verschillende oplossingen geopperd: ‘Zou het spannend kunnen zijn om ze in gescheiden afdelingen te plaatsen, zodat ze elkaar bijna niet zien, maar wel af en toe een glim van elkaar opvangen?' De groepjes schaafden hun ideeën vervolgens om tot een pitch.
Panel
De korte presentaties werden beoordeeld door een tweekoppig panel, bestaande uit Rogier Proper (pionier van de Nederlandse soap, scriptdoctor en auteur van het handboek Kill Your Darlings) en Sabine Veenendaal (Flinck Film, o.a. producent van A'DAM E.V.A.). Zij luisterden naar iedere pitch en gaven kort, vaak kritisch commentaar. Vaak stelden ze vragen als ‘Wat is het thema?' ‘Wat verandert er in de loop van het verhaal?' ‘Voor welke doelgroep is het?' De meest gestelde vraag was echter ‘Wat is het genre?'. Sommige verhalen kunnen op het eerste gehoor zowel een drama als een komedie zijn. Ze gaven soms ook wenken voor verdere uit-werking. Een groepje bedacht een roadmovie over twee Turkse zussen die naar Turkije vlie-gen om daar hun moeder te begraven. Het idee was bedoeld voor een arthouse-film. Volgens Veenendaal kon het gegeven met wat meer humor ook een breder publiek aantrekken. Een voorstel voor een comedy over het voorportaal van de hel vond Proper ‘geestig'. ‘Maar de karakters moeten duidelijk worden uitgewerkt. Personages zijn de basis.' Veenendaal vond het ‘heel origineel'. ‘Het is niet iets dat je één, twee, drie ziet.' Het verhaal over de man die een misdaad wil plegen om terug te keren naar de gevangenis wordt door de bedenkers gepresenteerd als een plan voor een lange speelfilm. Proper vond het meer iets voor een sketch van een kwartier. Veenendaal sloot zich daarbij aan: ‘Leuk voor een korte film. Heel grappig. Maar voor een lange film is het te ongeloofwaardig.' Ook de andere voorstellen werden gewikt en gewogen. Proper zette enkele vraagtekens bij de werkwijze. De workshop ging uit van plot, terwijl hij pleit voor karakters als basis. Misschien een thema voor een volgende workshop. (Marc Veerkamp)